Hotel is Babylonisch wonder
Negen man met ieder een eigen culturele achtergrond maken samen één album. Het klinkt als de aankondiging voor een nieuwe realityshow, maar niets is minder waar. We hebben het over de band Hotel die met hun nieuwe CD ‘The Island Sessions’, een verbazend consistent geheel hebben afgeleverd. We vragen Arjan Amin, leadzanger, hoe de nieuwe CD tot stand is gekomen.
Hotel bestaat uit negen man die van alle uithoeken van de wereld komen, hoe kan het dan dat alle nummers zo goed bij elkaar passen? “Ik kan niet precies zeggen hoe dat gaat, het is een beetje als ademen. We spelen al acht jaar samen en de muziek die daaruit komt is als een manier van spreken. We spreken niet af van: nu gaan we een Zuid-Amerikaans liedje spelen of een Balkan liedje. Eén van ons komt met iets en daar gaat de rest van de band overheen.”
Alle bandleden komen ergens anders vandaan, merk je dat in wat zij aandragen in de muziek? “Eén van onze leden is Mexicaans. Dan heb je niet een Mexicaan in de band, maar gelijk heel Mexico! Die gaat nog elk jaar terug en doet daar mee aan traditionele feesten waar ze met vijftig man in een kring staan en tweeëneenhalf uur hetzelfde liedje spelen, elke keer net op een andere manier. Die traditie neemt ‘ie wel mee in onze muziek ja.”
Nogal een multi-culturele band dus. “We zijn een multi-culturele band, of in ieder geval worden we zo genoemd. Maar ja dat is niet afgesproken, maar gewoon ontstaan. Soms kunnen we elkaar ook niet verstaan, maar als we muziek maken klopt ‘t.”
"Soms kunnen we elkaar ook niet verstaan, maar als we muziek maken klopt ‘t."
Gebeurt het wel eens dat al die verschillende invloeden met elkaar botsen? “Eigenlijk niet. Zodra iemand zegt: “Dat doe je niet goed! Dat is een Latijns Amerikaans ritme, dus dat moet je op die manier spelen!” Dan zeggen wij: na-ah, niks daarvan. Je moet het gewoon invullen zoals je het voelt. Dat is juist een beetje wat onze muziek is. Dat je niet een bepaald hokje invult, maar het op je eigen manier doet. Wat dat betreft hebben we schijt aan tradities. En uiteindelijk komt het dan ook allemaal samen.”
Nu weten jullie hoe je met elkaar muziek moet maken, maar hoe is dat dan ooit begonnen? “We zijn ooit met z’n vieren begonnen op een woonboot. Daar kwam al redelijk snel een aantal liedjes uit. Toen hebben we twee jaar een soort jongensboek avontuur beleefd: overal spelen, compleet van God los. Een geweldige tijd, maar op een gegeven moment wil je toch ook verder komen in de muziek. Toen kregen we de kans om een aantal Jams te organiseren bij een strandtentje in Blijdorp. We besloten in die jams onze roots te onderzoeken door samen te spelen met artiesten die een heel andere achtergrond hebben.”
Dus die jams zijn uiteindelijk goed uitgepakt? “Ja, die jams waren een groot succes. We nodigden een artiest uit van een heel andere muzikale achtergrond en gingen elkaars nummers spelen. We bekeken wat nou de achtergrond was van de instrumenten die hij gebruikt en dat gebruikten we dan weer in die jamsessies. We legden bijvoorbeeld aan het publiek uit hoe de Steeldrum is ontstaan of waar die ritmes nou vandaan komen.”
Dus door te spelen met die artiesten is jullie band uitgebreid? “Op een gegeven moment stonden we daar met een heel orkest van veertien man. En het publiek werd helemaal gek, die wilden erbij, allemaal op het podium. Zo bleven een hele hoop muzikanten aan ons kleven. Uiteindelijk zijn we met een vaste groep van negen muzikanten overgebleven.”
Hoe zijn jullie te werk gegaan om die muziek op CD te vangen? “Hier in het IJsselmeer ligt een heel klein eilandje met een vuurtorentje erop en een huisje. Een heel mooi idyllisch plekje waar ik zes jaar heb gewoond. Daar komen we wel eens samen met de band en dan kom je allemaal zo in dezelfde beleving; dat is heel anders dan wanneer je even naar je oefenruimte gaat en weer naar huis. Evengoed moeten we nog weleens aan een nummer werken, maar sommige nummers kwamen zo ‘boem’ door t dak vallen.”
Is het lastig om in de studio datzelfde gevoel op te wekken als op jullie eilandje? “Nee, je moet de studio zien als een grote speeltuin, dat is de meest fantastische omgeving waar je je in kan begeven. Buiten een podium met publiek natuurlijk. In een studio begint voor mij pas echt het maken van een nummer, daar gaat het om de inhoud. Natuurlijk nemen we het wel op als groep, niet ieder apart of zo. Dat moet gewoon om die energie vast te leggen. Als de basis van een nummer eenmaal goed is kan je nog wel apart wat extra’s toevoegen.”
Jullie staan bekend om de goede liveshows, willen jullie dat gevoel overbrengen via het album? “Een liveshow is niet te vergelijken met een album, want dat is zonder publiek opgenomen. Op het podium sta ik in een arena, daar moet ik het publiek pakken, daar moet ik het doen, daar moet ik de band zover krijgen dat het lekker voelt.”
Voel je die verantwoordelijkheid? “Ja, die voel ik. Misschien wel een beetje teveel hoor. Als hier een bandlid bij zou zijn zou die zeggen: “Aaah sodemieter op man! Wat denk je nou wel niet, flapdrol!” Maar ik ervaar dat wel als zanger, die energie die er moet zijn om lekker te kunnen spelen en communiceren met het publiek. Als dat lukt voel ik me echt een tovenaar. Lukt dat niet, dan kom ik het podium af en voel ik me waardeloos, terwijl mensen dat dan toch een fantastisch optreden vonden.”
Dat gevoel is dus eigenlijk iets ongrijpbaars?
"Het is iets heel bijzonders om mee te maken. Het is de magie van kunst. Ik denk dat een schilder dat heeft als ‘ie kijkt naar z’n doek en een schrijver als ‘ie precies dat juiste gedicht schrijft. Als je weet: dit is raak! Dat voel je. Als je dat punt bereikt, dat zal elke kunstenaar je bevestigen, dat voelt als magie, als tovenarij. Da’s wel kicken.”
Interview: Chris van Breda
Beeld: Suzan Karspers





Comments voor Hotel is Babylonisch wonder